De lucht in Parijs ruikt anders na middernacht. Niet naar brood of wijn, maar naar zweet, parfum, en de zachte zoutige smaak van een vrouw die net haar lippen over mijn hals heeft laten glijden. Ik stond aan de rand van een donker gevelde straat in Montmartre, met een glas rosé in mijn hand dat al half op was, en keek naar haar - die me net had opgezocht vanuit de schaduw, als een geheim dat de stad zelf had uitgespuwd.
Zij heet Léa. Niet omdat ze het zo wilde, maar omdat de nacht het zo had beslist. Ze droeg een zwarte zijden jurk die haar lichaam omhulde alsof het met haar was gegroeid - geen knopen, geen ritsen, alleen een enkel streepje stof dat haar heupen volgde als een ademhaling. Haar haar, donker als verbrande honing, viel over één schouder, en haar ogen? Die hadden geen kleur. Ze waren gewoon diep. Diep genoeg om erin te verdwijnen. Ze had geen make-up op, behalve een smeerje rode lippenstift - nog warm van haar mond - en een klein piercings in haar neus, dat glinsterde als een wapen als ze lachte. Ze lachte niet vaak. Maar toen ze dat deed, voelde ik mijn pik al hard worden.
Hij was niet mooi. Hij was geen man die je op straat zou aanspreken. Hij had een snor die eruitzag alsof hij er een paar keer per dag mee had getraind, en een jas die eruitzag alsof hij hem sinds 2012 niet had gewassen. Maar zijn handen? Die wisten wat ze deden. Ze hielden haar taille vast, niet met geweld, maar met een zekere kennis - alsof hij de vorm van haar lichaam al jaren kende. Hij keek haar niet aan. Hij keek naar haar mond. En toen ze haar tong over haar lippen haalde, knikte hij. Niet veel. Maar genoeg.
De lucht tussen ons was vol. Niet van geluid, maar van verlangen. Ze wilde hem. Ik wilde haar. En hij? Hij wilde ons allebei. Dat zag je in de manier waarop hij zijn vingers langzaam over haar heupen liet glijden, alsof hij elke seconde wilde opslaan. Ze gaf hem geen woorden. Geen vragen. Geen ‘will you?’ - alleen een zucht, een beweging van haar heupen, en een lichte druk met haar billen tegen zijn lichaam. Hij antwoordde met een diepe, zachte knik. Alsof hij haar had verstaan voordat ze begon te denken.
Ze gingen naar boven. Niet in een hotel. Niet in een luxe suite. In een klein appartement boven een oude boekwinkel, waar de muren nog roken van oude papier en geheime verhalen. De kamer was donker, maar het licht van de straatlantaarns sijpelde door de kieren in de gordijnen en maakte haar huid goudkleurig. Ze trok haar jurk over haar hoofd. Niet snel. Niet ongeduldig. Langzaam. Alsof ze elk stukje van haar lichaam wilde laten zien alsof het een schilderij was. Haar borsten waren klein, maar perfect - donker, ronde, met tepels die al hard waren voordat hij ze aangeraakt had. Hij liet zijn handen glijden, niet over haar huid, maar onder haar huid. Alsof hij haar ziel kon voelen. Ze kreunde. Niet hard. Niet schreeuwend. Maar zo diep, zo vol, dat het in mijn borstkas terugkaatste.
Hij liet haar op het bed zakken. Ze lag er als een offerande. En toen hij haar benen spreidde, voelde ik mijn eigen pik pijn doen. Ze keek naar hem, niet met verlangen. Met verwachting. Alsof ze wist wat er zou komen. En toen begon hij. Niet met zijn mond. Niet met zijn vingers. Met zijn ogen. Hij keek haar aan, terwijl zijn hand langzaam tussen haar benen gleed. Zonder te stoppen. Zonder te wachten. Zonder te vragen. En toen hij zijn vinger in haar stak, kreunde ze niet. Ze stopte met ademen. En toen hij er een tweede in stak, zuchtte ze - alsof de hele wereld haar had verlaten, en alleen hij overbleef.
Ik keek. Ik kon niet wegkijken. Ik wilde haar voelen. Ik wilde zijn handen voelen. Ik wilde haar lichaam voelen. En toen hij zijn broek ophalde en zijn pik vrijliet - lang, dik, met een ader die als een slang om zijn shaft kronkelde - begon ze te bewegen. Niet met haar handen. Niet met haar lippen. Met haar heupen. Ze trok hem naar zich toe, en toen hij in haar gleed, stond de kamer stil. Geen geluid. Geen lucht. Alleen haar adem, die plotseling korter werd, en zijn diepe, zachte grom, alsof hij iets had gevonden wat hij zijn hele leven had gezocht.
Ze bewoog niet. Hij bewoog niet. Ze zaten gewoon daar, verstrengeld, als één lichaam. Toen begon hij langzaam te bewegen. Niet snel. Niet wild. Maar met een precisie die je alleen hebt als je weet wat je doet. Elke stoot was een belofte. Elke beweging een zucht. En toen ze haar hoofd naar achteren gooide, haar mond open, haar ogen dicht, en haar handen in zijn haar greep - wist ik dat ik nooit meer hetzelfde zou zijn. Ze was niet alleen een vrouw. Ze was een nacht. Een geheim. Een zucht die je nooit vergeet.
Hij kwam in haar. Niet met een kreet. Niet met een ruk. Maar met een diepe, langzame ontlading - alsof zijn hele ziel eruit vloeide. En zij? Ze bleef bewegen. Zelfs toen hij klaar was. Zelfs toen hij haar vasthield, als een kind dat bang is dat het verloren gaat. Ze trok hem dichter. En toen ze haar mond op zijn borst legde, kuste ze zijn huid. Niet als een liefde. Als een eed. Als een belofte dat ze dit niet zou vergeten. En toen ze haar ogen opende, keek ze me aan. En ze lachte. Niet breed. Niet vrolijk. Maar met iets wat ik nooit had gezien: een vorm van macht. Alsof ze wist dat ik haar zou herinneren. Alsof ze wist dat ik haar zou willen terugvinden.
De volgende ochtend was er niets. Geen adres. Geen naam. Geen foto. Alleen de smaak van wijn en zweet op mijn tong. En de herinnering aan haar heupen, haar adem, haar ogen. Parijs heeft veel nachten. Maar slechts een paar nachten zijn echt. En die ene? Die had haar naam.