De lucht in Londen hing zwaar van de regen en de geur van nat asfalt, maar binnen de kleine, warme massagekamer voelde het aan alsof de wereld buiten was weggevagd. De enige geluiden waren het zachte geruis van de olie op de huid, het zachte knijpen van de handen, en de ademhaling van een vrouw die zich voor het eerst in maanden volledig liet gaan. Ik lag op mijn zij, mijn buik ondersteund door een zachte, gevulde kussens, mijn lichaam bloot aan de warmte van de olie, de vingers, de rust.
Zij had een manier van aanraken die je niet kon vergeten. Haar vingers waren niet te krachtig, niet te zacht - ze wisten precies waar je spieren zich vastgeklemd hadden. Ze gleden langs mijn heupen, langs mijn rug, langs de zachte boog van mijn buik, waar een klein leven zich ontwikkelde. Haar handen waren geen massagehanden. Ze waren verhalen. Ze vertelden over nachten wakker geweest, over pijn die niet werd uitgesproken, over liefde die niet meer in woorden kon worden gevonden - alleen in aanraking.
Ze droeg een eenvoudige, lichte jurk, haar haar los, een paar krullen die haar hals kietelden. Haar ogen waren donker, maar niet somber. Ze keek me aan, niet met medelijden, niet met professionaliteit, maar met iets wat dieper was: met herkenning. Ze wist wat het betekende om je lichaam te verliezen, en dan weer te vinden - in een andere vorm. Haar nagels waren kort, geen lak, geen glans. Alleen kracht. Zacht kracht.
Ik had haar niet gekozen omdat ze de beste masseuse van Londen was. Ik had haar gekozen omdat ze zelf moeder was. Twee kinderen. Eerst een baby die ze niet kon vasthouden. Dan een tweede, die ze nu droeg in haar hart en haar lichaam. Ze had geen zin in de klassieke massage. Ze wist dat ik niet wilde dat mijn rug werd opgeknapt. Ik wilde dat mijn buik werd aangeraakt. Niet als een zieke plek. Niet als een belasting. Maar als iets wat leefde. Als iets wat liefde was.
Haar vingers gleden nu over mijn buik, langzaam, in cirkels. Niet in een patroon. Niet in een techniek. In een ritme. Een ritme dat ik herkende. Het was hetzelfde ritme dat ik hoorde als ik haar kindje op mijn borst legde, na de geboorte. Het was hetzelfde ritme als wanneer ik haar in de nacht aanraakte, en ze zich tegen me aan klemde, alsof ze bang was dat de wereld haar zou wegnemen. Haar handen gingen lager. Niet verder dan de buik. Maar die aanraking? Die raakte alles. Mijn ziel. Mijn angst. Mijn hoop.
Ik sloot mijn ogen. En ik voelde het. Niet alleen de warmte. Niet alleen de olie. Ik voelde hoe haar adem zacht over mijn huid dreef. Hoe haar vingers een beetje trilden, alsof ze ook moesten huilen. Ik voelde hoe haar lichaam zich naar het mijne toe boog, alsof ze wilde dat ik haar ook aanraakte. Maar ze durfde niet. En ik durfde ook niet. Niet hier. Niet nu. Niet met de baby die tussen ons in lag.
Toen ze haar handen ophief, was er een stilte. Geen woorden. Geen ‘het is klaar’. Geen ‘u voelt zich beter’. Alleen een diepe, zachte ademhaling. En toen, heel zacht, fluisterde ze: ‘Je bent veilig.’
Ik begreep het pas later. Dat was het niet. Dat was geen massage. Dat was een verlossing. Een aanraking die zegde: je bent nog steeds jou. Je bent nog steeds sexy. Je bent nog steeds gewild. Niet ondanks je buik. Maar door je buik. En ik wilde haar kussen. Niet op de lippen. Niet op de hals. Maar op haar vingers. Want daar had ze mijn ziel aangeraakt.