Wanneer de zon ondergaat en de straten van Londen in een zacht, roodachtig licht verdwijnen, word ik wakker. Niet met een koffie, niet met een boek. Met een paar hoge hakken, een te korte rok, en de zekerheid dat ik net iets te veel heb besteed aan een jurk die ik nooit zou dragen… maar wel zou laten zien.
Covent Garden is mijn eerste stop. De straatlantaarns flitsen als kussens op het asfalt, de muren van de gebouwen ademen warme muziek uit. Hier, tussen de straatmusici en de glinsterende etalages, lopen vrouwen met glanzende lippen en ogen die niet kijken, maar proberen. Ze kijken niet naar jou. Ze laten jou voelen dat ze jou zien. En dat is het eerste wat je moet leren in Londen: je hoeft niet te vragen. Je hoeft niet te smeken. Je hoeft alleen maar te zijn.
Ik zit op een bankje bij Liberty’s, een winkel die eruitziet als een kasteel dat is gebouwd uit zijde en geheimen. Een man komt naast me zitten. Niet te dicht. Niet te ver. Zijn vingers raken de armleuning. Ik voel het. Niet met mijn huid. Met mijn onderlichaam. Hij draagt een donkere jas, een paar leren handschoenen die nog nooit een hand hebben aangeraakt… behalve die van hem. Zijn haar is kort, maar niet te kort. Zijn ogen zijn grijs, maar niet koud. Ze zijn grijs als een nacht zonder maan. Hij zegt niets. Hij kijkt naar een jurk in de etalage. Een jurk met een hoge splijt. Een jurk die je niet hoeft te kopen. Je hoeft alleen maar te denken dat je hem zou dragen… terwijl hij jou aankijkt.
Waarom zit ik hier? Niet omdat ik iets wil kopen. Ik wil iets voelen. En hij? Hij wil iets ontdekken. Niet een jurk. Niet een tas. Maar een gevoel dat je niet in een winkel kunt vinden. Hij pakt een glas champagne van een serveerster. Geen glas. Een flacon. Hij houdt het naar me uit. Ik neem het aan. Mijn vingers raken de zijne. Niet per ongeluk. Niet door toeval. Door keuze. Hij zegt: "Je ziet eruit alsof je net uit een droom bent gekomen." Ik lach. "En jij?" Hij kijkt me aan. "Ik ben nog niet wakker geworden."
We lopen naar Soho. De straat is een labyrint van neon en lachende vrouwen. De lucht voelt als een zachte hand op je hals. Hij pakt mijn hand. Niet om me te leiden. Om me te houden. We passeren een winkel met glazen deuren. Daarbinnen: een vrouw met een rode rok, een zwarte leren jas, en een paar hakken die eruitzien alsof ze zijn gemaakt om te pijn doen. Ze ziet ons. Ze knipoogt. Niet naar mij. Naar hem. En in dat moment weet ik: dit is geen date. Dit is een ritueel.
We stappen binnen. Niet naar de winkel. Naar de achterkamer. Een trap met rode lichtjes. Een deur met een slot dat je niet hoeft te openen. Hij drukt me tegen de muur. Zijn mond is niet warm. Hij is gloeiend. Zijn tong is een zweep die mijn lippen opent. Mijn benen sluiten zich om zijn heupen. Zijn hand grijpt mijn billen. Niet om te vasthouden. Om te veranderen. Hij zegt niets. Alleen: "Je bent hier voor mij. En ik ben hier voor jou. Geen woorden. Geen kleding. Geen morgen."
De muur is koud. Mijn rug is warm. Zijn lichaam is een storm die ik niet probeer te stoppen. Zijn penis is niet een voorwerp. Het is een gevoel dat me binnenin opvult. Ik voel hoe hij zich in mij duwt. Langzaam. Zonder haast. Alsof hij weet dat elk moment een eeuwigheid is. Mijn borsten zijn tegen zijn borst. Zijn adem is mijn adem. Zijn zweet is mijn zweet. Ik kreun. Niet omdat het pijn doet. Maar omdat het te goed is. Hij houdt mijn hoofd vast. Kijkt me aan. Zijn ogen zijn niet meer grijs. Ze zijn zwart. Vol van iets dat ik niet kan benoemen. Maar dat ik voel.
Ik kom. Niet met een kreet. Met een stilte. Een stilte die als een golf door mijn lichaam breekt. En dan… hij komt. Niet als een man. Als een geest. Zijn lichaam trilt. Zijn adem stokt. En in die seconde… we zijn niet twee mensen. We zijn één. Een enkel ademhalen. Een enkel hart. Een enkel geluid.
Na afloop ligt hij naast me. Zijn vingers strijken over mijn rug. Zonder woorden. Zonder haast. Ik voel zijn lichaam nog steeds warm. Zijn adem nog steeds dichtbij. Ik denk aan de winkels. Aan de jurk. Aan de hakken. Aan de glinsterende etalages. En ik realiseer me: ik heb niets gekocht. Maar ik heb alles gekregen.
De volgende ochtend sta ik op. Ik kijk in de spiegel. Mijn huid is rood. Mijn lippen zijn opgezwollen. Mijn benen zijn zwaar. En ik lach. Niet omdat ik een mooie nacht had. Maar omdat ik voelde. En in Londen… dat is het enige wat echt telt.